30-07-07

18DE (ACHTTIENDE) ZONDAG DOOR HET JAAR C

Eerste lezing : Prediker 1,2; 2,21-23

IJdelheid der ijdelheden, zegt Prediker. IJdelheid der ijdelheden, en alles is ijdelheid! Er zijn mensen die zich aftobben met inspanningen vol zakengeest en inzicht, maar wat ze verdienen moeten ze afgeven aan anderen, die zich niet inspanden. Ook dat is ijdelheid en grote onbillijkheid. Wat heeft een mens tenslotte aan al zijn geploeter, en aan de zorgen waarmee hij zich op aarde kwelt? Alle dagen bereiden hem leed, en ergernis is zijn loon; zelfs 's nachts vindt hij geen rust; ook dat is ijdelheid.

Tweede lezing : Kolossenzen 3,1-5.9-11

Broeders en zusters: Als gij met Christus ten leven zijt gewekt zoekt wat boven is, daar waar Christus zetelt aan de rechterhand Gods. Zint op het hemelse, niet op het aardse. Gij zijt immers gestorven en uw leven is nu met Christus verborgen in God. Christus is uw leven, en wanneer Hij verschijnt zult ook gij met Hem verschijnen in heerlijkheid. Maakt dus radicaal een einde aan immorele praktijken, ontucht, onzedelijkheid, hartstocht, begeerlijkheid en de hebzucht die gelijk staat met afgoderij. En beliegt elkaar niet meer. Gij hebt de oude mens met zijn gedragingen afgelegd en u bekleed met de nieuwe mens, die op weg is naar het ware inzicht, terwijl hij zich vernieuwt naar het beeld van zijn Schepper. Dan is er geen sprake meer van Griek of Jood, besnedene of onbesnedene, barbaar of Skyth, van slaaf of vrije mens, daar is alleen Christus, alles in allen.

Evangelie Lucas 12,13-21

In die tijd zei iemand uit het volk tegen Jezus: "Meester zeg aan mijn broer dat hij de erfenis met mij deelt." Maar Jezus antwoordde hem: "Man, wie heeft Mij tot rechter of verdeler over u aangesteld?" En Hij sprak tot hem: "Pas op en wacht u voor alle hebzucht! Want geen enkel bezit, – al is dit nog zo overvloedig – kan uw leven veilig stellen." Hij vertelde hun de volgende gelijkenis: 'Het land van een rijk man had een grote oogst opgeleverd. Daarom overlegde deze bij zichzelf: Wat moet ik doen? Ik heb geen ruimte om mijn oogst te bergen. En hij zei: Dit ga ik doen: ik breek mijn schuren af en bouw grotere: daarin zal ik dan heel mijn rijkdom aan koren opbergen. Dan zal ik tot mijzelf zeggen: Man, je hebt een grote rijkdom liggen, voor lange jaren; rust nu uit, eet en drink en geniet ervan! Maar God sprak tot hem: Dwaas! Nog deze nacht komt men je leven van je opeisen; en al die voorzieningen die je getroffen hebt, voor wie zijn die dan? Zo gaat het met iemand die schatten vergaart voor zichzelf, maar niet rijk is bij God."

08:45 Gepost door bijbelleerhuis in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) | Tags: bijbel, liturgie |  Facebook |

24-07-07

17DE (ZEVENTIENDE) ZONDAG DOOR HET JAAR C

Eerste lezing : Genesis 18,20-32

In die dagen zei de Heer: Luid stijgt de roep om wraak uit Sodom en Gomorra op! Uitermate zwaar is hun zonde! Ik ga naar beneden om te zien of hun daden werkelijk overeenstemmen met de roep die tot mij is doorgedrongen; ik wil het weten. Toen gingen de mannen op weg in de richting van Sodom. De Heer bleef echter nog bij Abraham staan. Abraham trad op hem toe en zei: Wilt ge werkelijk met de boosdoeners ook de rechtvaardigen verdelgen? Misschien zijn er vijftig rechtvaardigen in de stad; zult gij die dan verdelgen? Zult gij de stad geen vergiffenis schenken omwille van de vijftig rechtvaardigen die er wonen? Zoiets kunt ge toch niet doen: de rechtvaardigen samen met de boosdoeners laten sterven! Dan zou het de rechtvaardigen vergaan als de boosdoeners; dat kunt ge toch niet doen! Zal hij die de hele aarde oordeelt geen recht laten geschieden? En de Heer zei: Als ik in de stad Sodom vijftig rechtvaardigen vind, zal ik omwille van hen de hele stad vergiffenis schenken. Abraham begon weer en zei: Mag ik zo vrij zijn tot mijn Heer te spreken, ofschoon ik maar stof en as ben? Misschien ontbreken er aan de vijftig rechtvaardigen vijf; zult gij dan toch om die vijf de hele stad verwoesten? En hij zei: Ik zal haar niet verwoesten, als ik er vijfenveertig vind. Opnieuw sprak Abraham tot hem: Misschien zijn er maar veertig te vinden. En hij zei: Dan zal ik het omwille van die veertig niet doen. Nu zei Abraham: Laat mijn Heer niet kwaad worden, als ik nog eens aandring: misschien zijn er maar dertig te vinden. En hij zei: Ik zal het niet doen, als ik er dertig vind. Abraham zei opnieuw: ik ben wel vrijpostig als ik bij mijn Heer blijf aandringen; maar misschien worden er maar twintig gevonden. En de Heer zei: Ook omwille van die twintig zal ik de stad niet verwoesten. Laat mijn Heer niet kwaad worden, als ik nog één keer spreek, misschien zijn er maar tien te vinden. En de Heer zei: Ik zal de stad niet verwoesten, zelfs al zijn er maar tien.

Tweede lezing : Kolossenzen 2,12-14

Broeders en zusters, in de doop zijt gij met Christus begraven, maar ook met Hem verrezen door uw geloof in de kracht van God die Hem uit de dood deed opstaan. Ook u, die dood waart tengevolge van uw zonden en door uw morele onbehouwenheid, heeft God weer levend gemaakt met Hem. Hij heeft ons al onze zonden vergeven. Hij heeft de oorkonde verscheurd die met haar bezwarende bepalingen tegen ons getuigde, Hij heeft haar vernietigd en aan het kruis genageld.

Evangelie : Lucas 11,1-13

Op een keer was Jezus ergens aan het bidden. Toen Hij ophield zei een van zijn leerlingen tot Hem: "Heer, leer ons bidden, zoals Johannes het ook aan zijn leerlingen geleerd heeft." Hij sprak tot hen: "Wanneer ge bidt, zegt dan: Vader, Uw Naam worde geheiligd, Uw Rijk kome. Geef ons iedere dag ons dagelijks brood, en vergeef ons onze zonden, want ook wij vergeven aan ieder die ons iets schuldig is. En leid ons niet in bekoring." Hij vervolgde: "Stel, iemand van u heeft een vriend. Midden in de nacht gaat hij naar hem toe en zegt: vriend, leen mij drie broden, want een vriend van mij is van een reis bij mij aangekomen en ik heb niets om hem voor te zetten. Zou die ander van binnen uit dan antwoorden: Val me niet lastig; de deur is al op slot en mijn kinderen en ik liggen in bed; ik kan niet opstaan om het u te geven? Ik zeg u, als hij niet opstaat en het hem geeft omdat hij zijn vriend is, zal hij toch opstaan en hem geven al wat hij nodig heeft, om zijn onbescheiden aandringen. Tot u zeg Ik hetzelfde: Vraagt en u zal gegeven worden; zoekt en gij zult vinden; klopt en er zal worden opengedaan. Want al wie vraagt verkrijgt; wie zoekt vindt; en voor wie klopt doet men open. Is er soms onder u een vader die aan zijn zoon een steen zal geven als deze hem om brood vraagt? Of als hij om vis vraagt zal hij hem toch in plaats van vis geen slang geven? Of als hij een ei vraagt zal hij hem toch geen schorpioen geven? Als gij dus, – ofschoon ge slecht zijt – goede gaven aan uw kinderen weet te geven, hoeveel te meer zal dan uw Vader in de hemel de heilige Geest geven aan wie Hem erom vragen."

09:29 Gepost door bijbelleerhuis in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) | Tags: bijbel, liturgie |  Facebook |

21-07-07

16DE (ZESTIENDE) ZONDAG DOOR HET JAAR C

Eerste lezing : Genesis 18,1-10a

In die dagen verscheen de Heer aan Abraham bij de eik van Mamre, terwijl hij op het heetst van de dag bij de ingang van zijn tent zat. Hij sloeg zijn ogen op en zag plotseling drie mannen voor zich staan. Meteen liep hij van de ingang van zijn tent naar hen toe. Hij boog diep voor hen en zei: Wees zo welwillend, Heer, uw dienaar niet voorbij te gaan. Ik zal water laten brengen, was uw voeten en rust hier onder de boom. Ik zal brood voor u halen om u te sterken voor uw verdere reis; gij zijt niet voor niets bij uw dienaar langs gekomen. Zij zeiden: Heel graag. Abraham ging haastig de tent in naar Sara en zei: Neem gauw drie maten fijn meel, kneed het en bak er koeken van. Daarna liep Abraham naar de kudde, zocht een lekker mals kalf uit en gaf het aan zijn knecht om het snel klaar te maken. Toen bracht hij hun kaas en melk, en het kalf dat hij had laten toebereiden, en zette hun dat alles voor. Terwijl zij aten bleef hij bij hen staan, onder de boom. Toen vroegen ze hem: Waar is Sara, uw vrouw? Abraham antwoordde: Daar in de tent. Toen zei de bezoeker: over een jaar kom ik weer bij u terug; dan zal Sara, uw vrouw, een zoon hebben.

Tweede lezing : Kolossenzen 1,24-28

Broeders en zusters, ik verheug mij dat ik voor u mag lijden, en in mijn lijdend lichaam aanvullen wat nog ontbreekt aan de beproevingen van de Christus, ten bate van zijn lichaam dat de Kerk is. Ik ben haar dienaar geworden krachtens de opdracht die God mij gegeven heeft; namelijk om u het woord Gods te brengen in heel zijn volheid: om het geheim te verkondigen dat verborgen was voor alle eeuwen en alle generaties, maar dat nu is geopenbaard aan zijn gelovigen. Hen heeft God bekend willen maken hoe machtig en hoe wonderbaar dit geheim is onder de heidenvolken. En dit geheim bestaat hierin: "Christus in u" en ook: "hoop op een eeuwige heerlijkheid". Hem verkondigen wij dus wanneer wij allen, zonder onderscheid vermanen en onderrichten met alle wijsheid die ons gegeven is om ook allen, zonder onderscheid in Christus tot volmaaktheid te brengen.

<> Evangelie : Lucas 10,38-42

<>In die tijd kwam Jezus in een dorp, en een vrouw die Marta heette, ontving Hem in haar woning. Ze had een zuster, Maria die – gezeten aan de voeten van de Heer – luisterde naar zijn woorden. Marta werd in beslag genomen door de drukte van het bedienen, maar ze kwam er een ogenblik bij staan en zei: "Heer, laat het U onverschillig dat mijn zuster mij alleen laat bedienen? Zeg haar dan dat ze mij moet helpen." De Heer gaf haar ten antwoord: "Marta, Marta, wat maak je je bezorgd en druk over veel dingen. Slechts één ding is nodig. Maria heeft het beste deel gekozen en het zal haar niet ontnomen worden."  

<>

11:02 Gepost door bijbelleerhuis in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) | Tags: bijbel, liturgie |  Facebook |

09-07-07

15DE (VIJFTIENDE) ZONDAG DOOR HET JAAR C

Eerste lezing : Deuteronomium 30,10-14

In die dagen sprak Mozes tot het volk: Als gij de stem van de Heer uw God hoort, dan moet ge Hem gehoorzamen en alle geboden en voorschriften onderhouden, die in dit wetboek staan opgetekend; dan moet gij met heel uw hart en heel uw ziel terugkeren tot de Heer uw God. De geboden die ik u heden geef zijn niet te zwaar voor u en zij liggen niet buiten uw bereik. Zij zijn niet in de hemel en gij hoeft niet te zeggen: Wie zal naar de hemel opvaren om ze voor ons te halen en ze ons te laten horen, zodat wij ze kunnen volbrengen? Ze zijn niet overzee en ge hoeft niet te zeggen: Wie zal de zee overvaren om ze voor ons te halen en ze ons te laten horen, zodat wij ze kunnen volbrengen? Neen, het woord is dicht bij u, in uw mond en in uw hart. Gij kunt het dus volbrengen.

Tweede lezing : Kolossenzen 1,15-20

Broeders en zusters, Christus Jezus is het beeld van de onzichtbare God, de eerstgeborene van heel de schepping. Want in Hem is alles geschapen in de hemelen en op de aarde, het zichtbare en het onzichtbare, tronen en hoogheden, heerschappijen en machten. Het heelal is geschapen door Hem en voor Hem. Hij bestaat vóór alles en alles bestaat in Hem. Hij is ook het hoofd van het lichaam dat

Evangelie : Lucas 10,25-37

In die tijd trad een wetgeleerde naar voren om Jezus op de proef te stellen. Hij zeide: "Meester wat moet ik doen om het eeuwig leven te verwerven?" Jezus sprak tot hem: "Wat staat er geschreven in de wet? Wat leest ge daar?" Hij gaf ten antwoord: "Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart en met geheel uw ziel, met al uw krachten en geheel uw verstand; en uw naaste gelijk uzelf". Jezus zei: "Uw antwoord is juist, doe dat en ge zult leven." Maar omdat hij zijn vraag wilde verantwoorden, sprak hij tot Jezus: "En wie is mijn naaste?" Nu nam Jezus weer het woord en zei: "Eens viel iemand, die op weg was van Jeruzalem naar Jericho, in handen van rovers. Ze plunderden en mishandelden hem en toen ze aftrokken, lieten ze hem half dood liggen. Bij toeval kwam er juist een priester langs die weg; hij zag hem wel maar liep in een boog om hem heen. Zo deed ook een leviet: hij kwam daar langs, zag hem, maar liep in een boog om hem heen. Toen kwam een Samaritaan die op reis was, bij hem; hij zag hem en kreeg medelijden; hij trad op hem toe, goot olie en wijn op zijn wonden en verbond ze; daarna tilde hij hem op zijn eigen rijdier, bracht hem naar een herberg en zorgde voor hem. De volgende morgen haalde hij twee denariën te voorschijn, gaf ze aan de waard en zei: Zorg voor hem, en wat ge meer mocht besteden, zal ik u bij mijn terugkomst vergoeden. Wie van deze drie lijkt u de naaste te zijn van de man die in handen van de rovers gevallen is?" Hij antwoordde: "Die hem barmhartigheid betoond heeft." En Jezus sprak: "Ga dan en doet gij evenzo".

08:01 Gepost door bijbelleerhuis in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) | Tags: liturgie, bijbel |  Facebook |