19-11-07

34STE (VIERENDERTIGSTE ZONDAG DOOR HET JAAR C - CHRISTUS KONING

Eerste lezing : II Samuël 5,1-3

In die dagen begaven alle stammen van Israël zich naar David in Hebron en zeiden: Hier zijn wij, uw eigen vlees en bloed. Vroeger al, toen Saül nog over ons regeerde, was u degene die de troepen van Israël aanvoerde. Daarenboven heeft de Heer u verzekerd: Gij zult mijn volk Israël hoeden; gij zijt het die over Israël zult heersen. Alle oudsten van Israël kwamen naar de koning in Hebron en koning David sloot met hen in Hebron een verbond ten overstaan van de Heer en zij zalfden David tot koning over Israël.

Tweede lezing : Kolossenzen 1,12-20

Broeders en zusters, wij danken God, de Vader, blijmoedig, omdat Hij u in staat stelde te delen in de erfenis van de heiligen en te leven in het licht. Hij heeft ons ontrukt aan het domein van de duisternis en overgebracht naar het koninkrijk van zijn geliefde Zoon. In Hem is onze bevrijding verzekerd en zijn onze zonden vergeven. Hij is het beeld van de onzichtbare God, de eerstgeborene van heel de schepping. Want in Hem is alles geschapen in de hemelen en op de aarde, het zichtbare en het onzichtbare, tronen en hoogheden, heerschappijen en machten. Het heelal is geschapen door Hem en voor Hem. Hij bestaat vóór alles en alles bestaat in Hem. Hij is ook het hoofd van het lichaam dat de Kerk is. Hij is de oorsprong, de eerste die van de dood is opgestaan om in alles de hoogste te zijn, Hij alleen. Want in Hem heeft God willen wonen in heel zijn volheid, om door Hem het heelal met zich te verzoenen en vrede te stichten door het bloed, aan het kruis vergoten om alles in de hemel en op aarde te verzoenen, door Hem alleen.

Evangelie Lucas 23,35-43

In die tijd, toen Jezus aan het kruis hing stond het volk toe te kijken; de overheidspersonen zeiden: "Anderen heeft Hij gered; laat Hij zichzelf eens redden als Hij de Messias van God is, de uitverkorene!" De soldaten brachten Hem zure wijn, en ook zij voegden Hem spottend toe: "Als Gij de koning der Joden zijt red dan uzelf." Boven Hem stond als opschrift in Griekse, Romeinse en Hebreeuwse letters: "Dit is de koning der Joden." Ook een van de misdadigers die daar hingen hoonde Hem: "Zijt Gij niet de Messias? Red dan uzelf en ons." Maar de andere strafte hem af en zei: "Heb zelfs jij geen vrees voor God terwijl je toch hetzelfde vonnis ondergaat? En wij ondergaan dat vonnis terecht, want wij krijgen wat wij door onze daden verdiend hebben; maar Hij heeft niets verkeerds gedaan." Daarop zei hij: "Jezus, denk aan mij wanneer Gij in uw Koninkrijk gekomen zijt." En Jezus sprak tot hem: "Voorwaar, Ik zeg u: vandaag nog zult gij met Mij zijn in het paradijs."

09:20 Gepost door bijbelleerhuis in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) | Tags: bijbel, liturgien |  Facebook |

12-11-07

33STE (DRIEËNDERTIGSTE) ZONDAG DOOR HET JAAR C

Eerste lezing : Maleachi 3,19-20a

Zie: de dag gaat komen, de dag die als een oven brandt. Al de hoogmoedigen, alwie boosheid bedrijft, zij allen worden stoppels, in brand gezet door de dag die gaat komen – zo spreekt de Heer van de hemelmachten – zodat hij van hen geen wortel, geen halm meer overlaat. Maar voor u, die mijn Naam vreest, gaat de zon van de gerechtigheid op, en met haar vleugels brengt zij genezing. Zo spreekt de Heer van de hemelmachten.

Tweede lezing : II Tessalonicenzen 3,7-12

Broeders en zusters, hoe gij ons moet navolgen is u bekend; wij hebben bij u geen werk geschuwd en niemands brood gegeten zonder te betalen. Dag en nacht hebben wij gearbeid, met veel inspanning en moeite om niemand van u tot last te zijn. Niet dat wij er geen recht toe hebben maar wij wilden een voorbeeld geven ter navolging: Ook toen wij bij u waren hielden wij u telkens deze regel voor: als iemand niet wil werken, zal hij ook niet eten. Wij hebben namelijk gehoord dat sommigen bij u werkeloos rondhangen en alle moeite schuwen, maar wel zich met alles bemoeien. In de naam van de Heer Jezus Christus gebieden en vermanen wij zulke mensen dat zij regelmatig moeten werken en hun eigen kost verdienen.

Evangelie : Lucas 21,5-19

In die tijd, toen sommigen opmerkten hoe de tempel daar prijkte met zijn fraaie stenen en wijgeschenken zei Jezus: "Wat ge daar ziet: er zal een tijd komen dat er geen steen op de andere gelaten zal worden: alles zal verwoest worden." Ze vroegen Hem nu: "Meester, wanneer zal dat dan gebeuren?" Maar Hij zei: "Weest op uw hoede dat gij niet in dwaling gebracht wordt. Want velen zullen optreden in mijn Naam en zij zullen zeggen: Ik ben het, en: Het ogenblik is nabij. Loopt niet achter hen aan. En wanneer gij hoort van oorlogen en onlusten, laat u dan niet uit het veld slaan. Dat alles moet wel eerst gebeuren maar het einde volgt niet terstond." Toen sprak Hij tot hen: "Er zal strijd zijn van volk tegen volk en van koninkrijk tegen koninkrijk; er zullen hevige aardbevingen zijn, en hongersnood en pest, nu hier dan daar, schrikwekkende dingen en aan de hemel geweldige tekenen. Maar nog vóór dit alles geschiedt zullen zij u vastgrijpen en vervolgen; zij zullen u overleveren aan de synagogen en gevangen zetten, u voor koningen en stadhouders voeren omwille van mijn Naam. Het zal voor u uitlopen op het geven van getuigenis. Welnu, prent het u in dat gij dan uw verdediging niet moet voorbereiden. Want Ik zal u een taal en een wijsheid geven die geen van uw tegenstanders zal kunnen weerstaan of weerspreken. Ge zult zelfs door ouders en broers, door bloedverwanten en vrienden overgeleverd worden en sommigen van u zullen ze ter dood brengen. Ge zult een voorwerp van haat zijn voor allen omwille van mijn Naam: geen haar van uw hoofd zal verloren gaan. Door standvastig te zijn zult ge uw leven winnen."

09:33 Gepost door bijbelleerhuis in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) | Tags: bijbel, liturgie |  Facebook |

05-11-07

32STE (TWEEËNDERTIGSTE) ZONDAG DOOR HET JAAR C

Eerste lezing : II Makkabeeën 7,1-2.9-14

In die dagen werden zeven broers met hun moeder gevangen genomen. De koning wilde ze dwingen van het verboden varkensvlees te eten door ze met roeden en zwepen te geselen. De eerste van hen, die optrad als hun woordvoerder, sprak als volgt: Waarom wilt gij ons ondervragen en wat wilt gij van ons te weten komen? Wij zijn bereid te sterven, liever dan de wetten van onze voorouders te overtreden. Toen de eerste gestorven was, riep de tweede broer, kort voordat hij de geest gaf: Booswicht, gij kunt ons wel het tegenwoordige leven ontnemen, maar de Koning der wereld zal ons, die voor zijn wetten sterven, laten opstaan tot een eeuwig leven. Na hem werd de derde gemarteld. Zonder enige vrees sprak hij: Ik heb deze ledematen van God gekregen; uit eerbied voor zijn wetten doe ik er afstand van, maar ik hoop ze eens weer terug te krijgen. De koning en zijn omgeving stonden verbaasd over zoveel moed bij de jongeman, die zijn folteringen zonder één moment van zwakte doorstond. Toen hij dood was werd de vierde broer op dezelfde wijze gefolterd en gepijnigd. Op het punt te sterven riep hij nog uit: Het is niet zo erg door mensen omgebracht te worden, wanneer wij mogen vertrouwen op Gods belofte dat Hij ons weer zal laten verrijzen. Voor u echter zal er geen verrijzenis tot een nieuw leven zijn!

Tweede lezing : II Tessalonicenzen 2,16 – 3,5

Broeders en zusters, moge de Heer Jezus Christus zelf, moge God, onze Vader die ons zijn liefde heeft betoond, en die ons in zijn genade eeuwige troost en blijde hoop heeft geschonken, uw harten bemoedigen en sterken met alle goeds, in woord en daad. Voorts, broeders en zusters, bidt voor ons, opdat het woord des Heren overal zoals bij u zijn luisterrijke loop mag volbrengen, en opdat wij verlost worden van die kwaadaardige en boze lieden; want het geloof is niet aller deel. Maar de Heer is getrouw: Hij zal u sterken en behoeden voor de boze. In de Heer vertrouwen wij op u dat gij doet wat wij bevelen en dit ook zult blijven doen. Moge de Heer uw harten neigen tot de liefde Gods en tot de standvastigheid van Christus.

Evangelie Lucas 20,27-38

In die tijd kwamen enigen van de Sadduceeën, die de verrijzenis loochenen, bij Jezus met de vraag: "Meester, wij zien bij Mozes geschreven staan: Als iemand een getrouwde broer heeft die kinderloos sterft dan moet hij diens vrouw nemen en aan zijn broer een nageslacht geven. Nu waren er eens zeven broers. De eerste trouwde en stierf kinderloos. De tweede en de derde namen de vrouw en de een na de ander stierven ze alle zeven zonder kinderen na te laten. Het laatste stierf ook de vrouw. Van wie van hen is zij nu bij de verrijzenis de vrouw? Alle zeven toch hebben haar tot vrouw gehad." Jezus sprak tot de Sadduceeën: "De kinderen van deze wereld huwen en worden ten huwelijk gegeven, maar zij die waardig gekeurd zijn deel te krijgen aan de andere wereld en aan de verrijzenis uit de doden, huwen niet en worden niet ten huwelijk gegeven. Zij kunnen immers niet meer sterven omdat zij als engelen zijn; en, als kinderen van de verrijzenis zijn zij kinderen van God. Dat de doden verrijzen, heeft ook Mozes aangeduid waar het gaat over de braamstruik, doordat hij de Heer noemt: de God van Abraham, de God van Isaäk en de God van Jakob. De Heer is toch geen God van doden maar van levenden want voor Hem zijn allen levend."

19:52 Gepost door bijbelleerhuis in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) | Tags: bijbel, liturgie |  Facebook |