16-04-07

DERDE PAASZONDAG

EERSTE LEZING : Handelingen 5,27b-32.40b-41 --- In die dagen ondervroeg de hogepriester de apostelen: "Hebben wij u niet uitdrukkelijk verboden in de naam van Jezus onderricht te geven? Door uw toedoen is heel Jeruzalem vol van uw leer. Bovendien wilt gij ons het bloed van die man aanrekenen." Maar Petrus en de andere apostelen gaven ten antwoord: "Men moet God meer gehoorzamen dan de mensen. De God van onze vaderen heeft Jezus ten leven gewekt, aan wie gij u vergrepen hebt door Hem aan het kruis te slaan. Hem heeft God als Leidsman en Verlosser verheven aan zijn rechterhand om aan Israël bekering en kwijtschelding van zonden te schenken. Van dit alles zijn wij getuigen, maar ook de heilige Geest die God geschonken heeft aan wie Hem gehoorzamen." Men verbood de apostelen te spreken in de naam van Jezus en stelde hen in vrijheid. Zij verlieten de Hoge Raad, verheugd dat ze waardig bevonden waren smaad te lijden omwille van Jezus' naam. TWEEDE LEZING : Apokalyps 5,11-14 --- Ik, Johannes, zag toe en hoorde de stem van talloze engelen rondom de troon en de stem van levende wezens en de oudsten; en hun getal was tienduizenden tienduizendtallen en duizenden duizendtallen; en zij riepen luid: "Waardig is het Lam dat geslacht werd te ontvangen de macht en de rijkdom, de wijsheid en de kracht, en eer en heerlijkheid en lof." En elk schepsel in de hemel en op de aarde en onder de aarde en in de zee, het ganse heelal hoorde ik roepen: "Aan Hem die gezeten is op de troon en aan het Lam zij de lof en de eer en de roem en de kracht in de eeuwen der eeuwen!" En de vier levende wezens zeiden: "Amen." En de oudsten vielen in aanbidding neer. EVANGELIE : Johannes 21,1-14 --- In die tijd verscheen Jezus andermaal aan de leerlingen bij het meer van Tiberias. De verschijning verliep als volgt: Er waren bijeen Simon Petrus, Tomas die ook Didymus genoemd wordt, Natanaël uit Kana in Galilea, de zonen van Zebedeüs en nog twee van zijn leerlingen. Simon Petrus zei tot hen: "Ik ga vissen." Zij antwoordden: "Dan gaan wij mee." Zij gingen dus op weg en klommen in de boot maar ze vingen die nacht niets. Toen het reeds morgen begon te worden stond Jezus aan het strand, maar de leerlingen wisten niet dat het Jezus was. Jezus sprak hen aan: "Vrienden, hebben jullie soms wat vis?" "Neen," zeiden ze. Toen beval Hij hun: "Werpt het net uit, rechts van de boot, daar zult ge iets vangen." Nadat ze dit gedaan hadden, waren ze niet meer bij machte het net op te halen vanwege de grote hoeveelheid vissen. Daarop zei de leerling van wie Jezus veel hield tot Petrus: "Het is de Heer!" Toen Simon Petrus hoorde dat het de Heer was trok hij zijn bovenkleed aan – want hij droeg slechts een onderkleed – en sprong in het meer. De andere leerlingen kwamen met de boot, want zij waren niet ver van de kust, slechts ongeveer tweehonderd el, en sleepten het net met de vissen achter zich aan. Toen zij aan land waren gestapt zagen zij dat er een houtskoolvuur was aangelegd met vis er op en brood. Jezus sprak tot hen: "Haalt wat van de vis die gij juist gevangen hebt." Simon Petrus ging weer aan boord en sleepte het net aan land. Het was vol grote vissen, honderddrieënvijftig stuks en ofschoon het er zoveel waren scheurde het net niet. Jezus zei hun: "Komt ontbijten." Wetend dat het de Heer was durfde geen van de leerlingen Hem vragen: "Wie zijt Gij?" Jezus trad dichterbij, nam het brood en gaf het hun en zo ook de vis. Dit was nu de derde keer dat Jezus aan de leerlingen verscheen sinds Hij uit de doden was opgestaan.

10:47 Gepost door bijbelleerhuis in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) | Tags: bijbel, liturgie |  Facebook |

15-04-07

TWEEDE PAASZONDAG

Eerste lezing Handelingen 5,12-16 Door de handen van de apostelen geschiedden er vele wondertekenen onder het volk. Allen waren eensgezind en kwamen te zamen in de Zuilengang van Salomo. Van de overigen durfde niemand zich bij hen te voegen, hoezeer het volk hen ook prees. Steeds meer geloofden er in de Heer; mannen zowel als vrouwen sloten zich in grote groepen bij hen aan. Men bracht zelfs de zieken op straat, ze werden neergelegd de een op een bed, de ander op een draagbaar, in de hoop dat als Petrus voorbijging tenminste zijn schaduw op een van hen zou vallen. Zelfs uit de steden rondom Jeruzalem stroomden de mensen toe. Zij brachten zieken mee en mensen die van onreine geesten te lijden hadden; en allen werden genezen.Tweede lezing Apokalyps 1,9-11a.12-13.17-19 Ik, Johannes, uw broeder en uw deelgenoot in de verdrukking en in het koninkrijk en de verwachting van Jezus, ik bevond mij op het eiland Patmos omwille van het woord Gods en het getuigenis over Jezus. Ik raakte in geestvervoering op de dag des Heren en hoorde achter mij een stem, luid als een trompet, die riep: "Schrijf op in een boek wat gij ziet, en stuur het aan de zeven kerken: Éfese, Smyrna, Pérgamum, Tyatíra, Sardes, Filadelfia en Laodicéa." Ik keerde mij om om te zien wie mij had aangesproken. En toen ik mij omkeerde zag ik zeven gouden luchters, en tussen de luchters iemand als een Mensenzoon, gekleed in een gewaad dat tot de voeten reikte, het middel omgord met een gouden gordel. Toen ik Hem zag viel ik als dood voor zijn voeten. Maar Hij legde zijn rechterhand op mij en sprak: "Vrees niet. Ik ben het, de Eerste en de Laatste, de Levende. Ik was dood, en zie Ik leef in de eeuwen der eeuwen. En Ik heb de sleutels van de dood en het dodenrijk. Schrijf dan op wat gij gezien hebt, en wat nu en wat hierna geschieden zal." Evangelie Johannes 20,19-31 Op de avond van de eerste dag van de week, toen de deuren van de verblijfplaats der leerlingen gesloten waren uit vrees voor de Joden, kwam Jezus binnen, ging in hun midden staan en zei: "Vrede zij u." Na dit gezegd te hebben toonde Hij hun zijn handen en zijn zijde. De leerlingen waren vervuld van vreugde toen zij de Heer zagen. Nogmaals zei Jezus tot hen: "Vrede zij u. Zoals de Vader Mij gezonden heeft zo zend Ik u." Na deze woorden blies Hij over hen en zei: "Ontvangt de heilige Geest. Als gij iemand zonden vergeeft dan zijn ze vergeven, als gij ze niet vergeeft zijn ze niet vergeven." Tomas, een van de twaalf, ook Didymus genaamd was echter niet bij hen toen Jezus kwam. De andere leerlingen vertelden hem: "Wij hebben de Heer gezien." Maar hij antwoordde: "Zolang ik in zijn handen niet het teken van de nagelen zie, en mijn vinger in de plaats van de nagelen kan steken, en mijn hand in zijn zijde leggen, zal ik zeker niet geloven." Acht dagen later waren zijn leerlingen weer in het huis bijeen, en nu was Tomas er bij. Hoewel de deuren gesloten waren kwam Jezus binnen, ging in hun midden staan en zei: "Vrede zij u." Vervolgens zei Hij tot Tomas: "Kom hier met uw vinger en bezie mijn handen. Steek uw hand uit en leg die in mijn zijde en wees niet langer ongelovig maar gelovig." Toen riep Tomas uit: "Mijn Heer en mijn God!" Toen zei Jezus tot hem: "Omdat gij Mij gezien hebt gelooft ge? Zalig die niet gezien en toch geloofd hebben." In het bijzijn van zijn leerlingen heeft Jezus nog vele andere tekenen gedaan welke niet in dit boek zijn opgetekend, maar deze hier zijn opgetekend opdat gij moogt geloven dat Jezus de Christus is, de Zoon van God, en opdat gij door te geloven leven moogt bezitten in zijn Naam.

07:18 Gepost door bijbelleerhuis in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) | Tags: bijbel, liturgie |  Facebook |

02-04-07

TWEE LEZINGEN TIJDENS DE PAASWAKE

LEZINGEN TIJDENS DE PAASWAKERomeinen 6,3-11 Broeders en zusters, gij weet toch dat de doop waardoor wij één zijn geworden met Christus Jezus ons heeft doen delen in zijn dood? Door de doop in zijn dood zijn wij met Hem begraven, opdat ook wij een nieuw leven zouden leiden zoals Christus door de macht van zijn Vader uit de doden is opgewekt. Zijn wij één met Hem geworden door het beeld van zijn dood dan moeten wij Hem ook volgen in zijn opstanding, in de overtuiging dat onze oude mens met Hem gekruisigd is; daardoor is aan het bestaan in de zonde een einde gekomen, zodat wij niet langer aan de zonde dienstbaar zijn. Want wie gestorven is is rechtens vrij van de zonde. Indien wij dan met Christus gestorven zijn geloven wij dat wij ook met Hem zullen leven; want wij weten dat Christus eenmaal van de doden verrezen niet meer sterft: de dood heeft geen macht meer over Hem. Door de dood die Hij gestorven is heeft Hij eens voor al afgerekend met de zonde; het leven dat Hij leeft heeft alleen met God van doen. Zo moet ook gij uzelf beschouwen: als dood voor de zonde en levend voor God in Christus Jezus.Lucas 24,1-12 Op de eerste dag van de week gingen de vrouwen zeer vroeg in de morgen naar het graf, met de welriekende kruiden die zij klaar gemaakt hadden. Zij vonden de steen weggerold van het graf, gingen er binnen maar vonden er het lichaam van de Heer Jezus niet. Terwijl zij niet wisten wat daarvan te denken stonden er plotseling twee mannen voor hen in een stralend wit kleed. Toen zij van schrik bevangen het hoofd naar de grond bogen, vroegen de mannen haar: "Waarom zoekt ge de levende onder de doden? Hij is niet hier, Hij is verrezen. Herinnert u hoe Hij nog in Galilea tot u gezegd heeft: De Mensenzoon moet overgeleverd worden in zondige mensenhanden en Hij moet aan het kruis worden geslagen, maar op de derde dag zal Hij verrijzen." Zij herinnerden zich zijn woorden en keerden van het graf terug en ze brachten dit alles over aan de elf en aan al de anderen. Het waren Maria Magdalena, Johanna en Maria, de moeder van Jakobus; de andere vrouwen die met hen waren vertelden aan de apostelen hetzelfde. Maar dat verhaal leek de apostelen beuzelpraat en zij geloofden hen niet. Toch liep Petrus ijlings naar het graf; hij bukte zich voorover maar zag alleen de zwachtels. Daarop ging hij terug, verbaasd nadenkend over hetgeen er gebeurd was.

13:31 Gepost door bijbelleerhuis in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) | Tags: bijbel, pasen |  Facebook |

24-03-07

LEZINGEN PALMZONDAG (Lucas)

EERSTE LEZING : Jesaja 50,4-7 . God de Heer heeft mij de gave van het woord geschonken: ik versta het deontmoedigden moed in te spreken. Elke morgen spreekt Hij zijn woord, elkemorgen richt Hij het woord tot mij en ik luister met volle overgave. God de Heerheeft tot mij gesproken en ik heb mij niet verzet, ik ben niet teruggedeinsd. Mijnrug bood ik aan wie mij sloegen, mijn wangen aan wie mij de baard uitrukten, enmijn gezicht heb ik niet afgewend van wie mij smaadden en mij bespuwden. Godde Heer zal mij helpen: Daarom zal ik niet beschaamd staan en zal ik geen spiervertrekken. Ja, ik weet dat ik niet te schande zal worden. TWEEDE LEZING : Filippenzen 2,6-11 . Hij, die bestond in goddelijke majesteit heeft zich niet willen vastklampen aan degelijkheid met God. Hij heeft zichzelf ontledigd en het bestaan van een slaaf opzich genomen. Hij is aan de mensen gelijk geworden. En als mens verschenenheeft Hij zich vernederd door gehoorzaam te worden tot de dood, tot de dood aanhet kruis. Daarom heeft God Hem hoog verheven en Hem de naam verleend dieboven alle namen is. Opdat bij het noemen van zijn Naam zich iedere knie zoubuigen in de hemel, op aarde en onder de aarde; en iedere tong zou belijden, toteer van God de Vader: Jezus Christus is de Heer . Evangelie Lucas 23,1-49Toen stond de hele vergadering op en men bracht Hem voor Pilatus. Daarbegonnen ze Hem te beschuldigen en ze zeiden: "Wij hebben vastgesteld, dat dieman ons volk tot opstand aanspoort, dat Hij het er van afhoudt aan de keizerbelasting te betalen en dat Hij zich uitgeeft voor de Messias, de Koning." Pilatusvroeg Hem: "Zijt gij de koning der Joden?" Hij gaf hem ten antwoord: "Gij zegthet." Pilatus zeide nu tot de hogepriesters en de volksmenigte: "Ik kan in deze mangeen enkele schuld ontdekken." Maar zij hielden aan en riepen: "Door zijnprediking in heel het Joodse land, waar Hij in Galilea mee begonnen is en die HijHET LIJDENSVERHAAL VOLGENS LUCAS Lucas 22 Het pesachmaal[1] Het feest van het Ongedesemde brood, dat Pesach genoemd wordt, was bijna aangebroken. [2] De hogepriesters en de schriftgeleerden zochten naar een mogelijkheid om hem uit de weg te ruimen, maar dan heimelijk, bang als ze waren voor de reactie van het volk. [3] Toen nam Satan bezit van Judas, bijgenaamd Iskariot, een van de twaalf. [4] Hij ging naar de hogepriesters en tempelwachters en besprak met hen hoe hij Jezus aan hen zou kunnen uitleveren. [5] Ze waren opgetogen en spraken af dat ze hem voor zijn diensten zouden betalen. [6] Judas nam hun aanbod aan en zocht een gunstige gelegenheid om Jezus aan hen uit te leveren, zonder dat het volk het zou merken. [7] De dag van het Ongedesemde brood waarop het pesachlam geslacht moest worden, brak aan. [8] Jezus stuurde Petrus en Johannes op pad met de woorden: ‘Ga voor ons het pesachmaal bereiden, zodat we het kunnen eten.’ [9] Ze vroegen hem: ‘Waar wilt u dat we het bereiden?’ [10] Hij antwoordde: ‘Let op, wanneer jullie de stad in gegaan zijn, zal jullie een man tegemoet komen die een kruik water draagt. Volg hem naar het huis waar hij binnengaat, [11] en zeg tegen de heer van dat huis: “De Meester vraagt u: ‘Waar is het gastenvertrek waar ik met mijn leerlingen het pesachmaal kan eten?’” [12] Hij zal jullie een grote bovenzaal wijzen die al is ingericht; maak het daar klaar.’ [13] Ze gingen op weg, en alles gebeurde zoals hij gezegd had, en ze bereidden het pesachmaal. [14] Toen het zover was, ging hij samen met de apostelen aanliggen voor de maaltijd. [15] Hij zei tegen hen: ‘Ik heb er hevig naar verlangd dit pesachmaal met jullie te eten voor de tijd van mijn lijden aanbreekt. [16] Want ik zeg jullie: ik zal geen pesachmaal meer eten voordat het zijn vervulling heeft gevonden in het koninkrijk van God.’ [17] Hij nam een beker, sprak het dankgebed uit en zei: ‘Neem deze beker en geef hem aan elkaar door. [18] Want ik zeg jullie: vanaf nu zal ik niet meer drinken van de vrucht van de wijnstok tot het koninkrijk van God gekomen is.’ [19] En hij nam een brood, sprak het dankgebed uit, brak het brood, deelde het uit en zei: ‘Dit is mijn lichaam dat voor jullie gegeven wordt. Doe dit, telkens opnieuw, om mij te gedenken.’ [20] Zo nam hij na de maaltijd ook de beker, en zei: ‘Deze beker, die voor jullie wordt uitgegoten, is het nieuwe verbond dat door mijn bloed gesloten wordt. [21] Maar weet wel dat degene die mij zal uitleveren samen met mij aan deze tafel aanligt. [22] Want de Mensenzoon moet heengaan zoals het voor hem bepaald is, maar wee de mens die hem zal uitleveren.’ [23] Ze vroegen zich onder elkaar af wie van hen zoiets zou kunnen doen. [24] Toen ontstond er onder hen onenigheid over de vraag wie van hen de belangrijkste was. [25] Jezus zei tegen hen: ‘Vorsten oefenen heerschappij uit over de aan hen onderworpen volken, en wie macht heeft laat zich weldoener noemen. [26] Laat dat bij jullie niet zo zijn! De belangrijkste van jullie moet de minste worden en de leider de dienaar. [27] Want wie is belangrijker, degene die aanligt om te eten of degene die bedient? Is het niet degene die aanligt? Maar ik ben in jullie midden als iemand die dient. [28] Jullie zijn in al mijn beproevingen steeds bij mij gebleven. [29] Ik bestem jullie voor het koningschap zoals mijn Vader mij voor het koningschap bestemd heeft: [30] jullie zullen in mijn koninkrijk eten en drinken aan mijn tafel, en zetelen op een troon om recht te spreken over de twaalf stammen van Israël. [31] Simon, Simon, weet dat Satan jullie voor zich heeft opgeëist om jullie als graan te mogen zeven. [32] Maar ik heb voor je gebeden opdat je geloof niet zou bezwijken. En als jij eenmaal tot inkeer bent gekomen, moet jij je broeders sterken.’ [33] Simon antwoordde: ‘Heer, ik ben zelfs bereid om met u de gevangenis in te gaan en te sterven.’ [34] Maar Jezus zei: ‘Ik zeg je, Petrus, deze nacht zal de haan niet kraaien voordat je driemaal geloochend hebt dat je mij kent.’ [35] Daarna zei hij tegen hen: ‘Toen ik jullie uitzond zonder geldbuidel, reistas en sandalen, kwamen jullie toen iets tekort?’ ‘Niets!’ antwoordden ze. [36] Hij zei: ‘Maar wie nu een geldbuidel heeft, moet die meenemen, evenals zijn reistas, en wie er geen heeft moet zijn mantel verkopen en zich een zwaard aanschaffen. [37] Want ik zeg jullie: wat geschreven staat, moet in mij tot vervulling komen, namelijk: “Hij werd gerekend tot de wettelozen.” Inderdaad, nu wordt voltrokken wat over mij gezegd is.’ [38] Ze zeiden: ‘Kijk Heer, hier zijn twee zwaarden.’ Maar hij zei tegen hen: ‘Genoeg hierover!’Jezus gevangengenomen en verloochend [39] Hij vertrok en ging volgens zijn gewoonte naar de Olijfberg. De leerlingen volgden hem. [40] Toen hij daar was aangekomen, zei hij tegen hen: ‘Bid dat jullie niet in beproeving komen.’ [41] En hij liep bij hen weg, tot ongeveer een steenworp ver, en knielde daarna neer om te bidden. Hij bad: [42] ‘Vader, als u het wilt, neem dan deze beker van mij weg. Maar laat niet wat ik wil, maar wat u wilt gebeuren.’ [43] Uit de hemel verscheen hem een engel om hem kracht te geven.* [44] Hij werd overvallen door doodsangst, maar bleef bidden; zijn zweet viel in grote druppels als bloed op de grond. [45] Toen hij na zijn gebed opstond en terugliep naar de leerlingen, zag hij dat ze van verdriet in slaap waren gevallen, [46] en hij zei tegen hen: ‘Waarom slapen jullie? Sta op en bid dat jullie niet in beproeving komen.’ [47] Terwijl hij nog sprak, kwam er opeens een horde mensen aan. Voorop liep de man die Judas heette, een van de twaalf; hij ging naar Jezus toe om hem te kussen. [48] Maar Jezus zei tegen hem: ‘Judas, lever je de Mensenzoon uit met een kus?’ [49] Toen degenen die bij hem stonden zagen wat er ging gebeuren, vroegen ze: ‘Heer, zullen we er met het zwaard op los slaan?’ [50] En een van hen sloeg in op de dienaar van de hogepriester en sloeg hem zijn rechteroor af. [51] Maar Jezus zei: ‘Houd daarmee op. Zo is het genoeg!’ Hij raakte het oor aan en genas de man. [52] Tegen de hogepriesters en tempelwachters en de oudsten van het volk die op hem afgekomen waren, zei hij: ‘Als tegen een misdadiger bent u uitgetrokken met zwaarden en knuppels? [53] Dagelijks was ik bij u in de tempel, en toen hebt u geen vinger naar me uitgestoken, maar dit is uw uur, het uur van de macht van de duisternis.’ [54] Ze grepen hem vast en voerden hem weg, en brachten hem naar het huis van de hogepriester. Petrus volgde hen op een afstand. [55] Ze staken een vuur aan midden op de binnenplaats en gingen eromheen zitten; Petrus voegde zich bij hen. [56] Een dienstmeisje zag hem bij het vuur zitten, keek hem strak aan en zei: ‘Die man hoorde er ook bij!’ [57] Maar hij ontkende het: ‘Ik ken hem niet eens!’ [58] Even later merkte een ander hem op en zei: ‘Jij bent ook een van hen!’ Maar Petrus zei: ‘Welnee man, helemaal niet.’ [59] En ongeveer een uur later zei nog iemand met grote stelligheid: ‘Ja zeker, die man was ook in zijn gezelschap, hij komt immers ook uit Galilea.’ [60] Maar Petrus zei: ‘Ik weet niet waar je het over hebt.’ En op datzelfde moment, terwijl hij nog sprak, kraaide er een haan. [61] De Heer draaide zich om en keek Petrus aan, en toen herinnerde Petrus zich de woorden van de Heer: ‘Nog voor er vannacht een haan heeft gekraaid zul je mij driemaal verloochenen.’ [62] Hij ging naar buiten en huilde bitter. [63] De mannen die Jezus gevangenhielden, dreven de spot met hem en geselden hem. [64] Ze blinddoekten hem en zeiden: ‘Profeteer nu maar, wie is het die je geslagen heeft?’ [65] En ze zeiden nog tal van andere lasterlijke dingen tegen hem.Het verhoor [66] Toen het dag werd, kwam de raad van oudsten van het volk bijeen, hogepriesters zowel als schriftgeleerden, en ze leidden hem voor in hun raadszitting. [67] Ze zeiden: ‘Als u de messias bent, zeg het ons dan.’ Maar Jezus antwoordde: ‘Als ik het u zeg, gelooft u mij toch niet. [68] En als ik een vraag stel, antwoordt u toch niet. [69] Maar vanaf nu zal de Mensenzoon gezeten zijn aan de rechterhand van de Almachtige.’ [70] Toen zeiden allen: ‘U bent dus de Zoon van God?’ Hij antwoordde: ‘U zegt dat ik het ben.’ [71] Ze zeiden: ‘Waarvoor hebben we nog getuigenverklaringen nodig? We hebben het immers zelf uit zijn eigen mond gehoord!’Hoofdstuk 23[1] Ze stonden allen op en leidden hem voor aan Pilatus. [2] Daar brachten ze de volgende beschuldigingen tegen hem in: ‘We hebben vastgesteld dat deze man ons volk van het rechte pad afbrengt en de mensen ervan weerhoudt belastingen aan de keizer te betalen en dat hij van zichzelf zegt de messiaanse koning te zijn.’ [3] Pilatus vroeg hem: ‘Bent u de koning van de Joden?’ Jezus antwoordde: ‘U zegt het.’ [4] Daarop zei Pilatus tegen de hogepriesters en de samengeschoolde menigte: ‘Ik vind niets waaraan deze man schuldig is.’ [5] Maar ze bleven hardnekkig beweren: ‘In heel Judea ruit hij met zijn onderricht het volk op, van Galilea tot hier!’ [6] Toen Pilatus dit hoorde, vroeg hij aan Jezus of hij uit Galilea kwam, [7] en toen hij besefte dat hij onder Herodes’ gezag viel, stuurde hij hem naar Herodes, die op dat moment in Jeruzalem verbleef. [8] Herodes was bijzonder blij toen hij Jezus zag, want hij wilde hem al heel lang ontmoeten omdat hij veel over hem gehoord had. Bovendien hoopte hij hem een wonder te zien doen. [9] Hij ondervroeg hem uitvoerig, maar Jezus antwoordde hem niet één keer. [10] De hogepriesters en de schriftgeleerden die erbij stonden, brachten zware beschuldigingen tegen hem in. [11] Hierop begonnen Herodes en zijn soldaten Jezus te honen, en ze dreven de spot met hem door hem een pronkgewaad om te hangen. Zo stuurde hij hem terug naar Pilatus. [12] Op die dag werden Herodes en Pilatus vrienden, terwijl ze altijd elkaars vijanden waren geweest. [13] Pilatus riep de hogepriesters en de leiders en het volk bij zich [14] en zei tegen hen: ‘U hebt die man voor mij gebracht als iemand die het volk van het rechte pad afbrengt, maar u weet dat ik hem, toen ik hem in uw bijzijn verhoorde, aan geen van de zaken waarvan u hem beticht schuldig heb bevonden. [15] En Herodes evenmin, hij heeft hem immers naar ons teruggestuurd; hij heeft niets gedaan waarop de doodstraf staat. [16] Dus zal ik hem vrijlaten, nadat ik hem heb laten geselen.’* [18] Maar ze begonnen met zijn allen luidkeels te schreeuwen: ‘Weg met hem! Laat Barabbas vrij!’ [19] Deze laatste was gevangengezet wegens een oproer dat in de stad had plaatsgevonden en wegens moord. [20] Pilatus praatte opnieuw op hen in omdat hij Jezus wilde vrijlaten. [21] Maar ze schreeuwden het uit: ‘Kruisig hem, kruisig hem!’ [22] Voor de derde maal zei hij tegen hen: ‘Wat voor kwaad heeft die man dan gedaan? Ik heb niets gevonden waarvoor hij de doodstraf verdient. Dus zal ik hem vrijlaten, nadat ik hem heb laten geselen.’ [23] Maar ze bleven luidkeels eisen dat hij gekruisigd zou worden, en met hun geschreeuw wonnen ze het pleit: [24] Pilatus besloot hun eis in te willigen. [25] Hij liet de man gaan die wegens oproer en moord gevangen was gezet en om wiens vrijlating ze hadden gevraagd, en leverde Jezus uit aan hun willekeur.Kruisiging en graflegging [26] Toen Jezus werd weggeleid, hielden de soldaten een zekere Simon van Cyrene aan, die net de stad binnenkwam. Ze legden het kruis op zijn rug en lieten het hem achter Jezus aan dragen. [27] Een grote volksmenigte volgde Jezus, evenals enkele vrouwen die zich op de borst sloegen en over hem weeklaagden. [28] Jezus keerde zich echter naar hen om en zei: ‘Dochters van Jeruzalem, huil niet om mij. Huil liever om jezelf en je kinderen, [29] want weet, de tijd zal aanbreken dat men zal zeggen: “Gelukkig wie onvruchtbaar is, gelukkig de moederschoot die niet gebaard heeft en de borst die geen kind heeft gezoogd.” [30] Dan zullen de mensen tegen de bergen zeggen: “Val op ons neer!” en tegen de heuvels: “Bedek ons!” [31] Want als dit gebeurt met het jonge hout, wat zal het verdorde hout dan niet te wachten staan?’ [32] Samen met Jezus werden nog twee anderen, beiden misdadigers, weggeleid om terechtgesteld te worden. [33] Aangekomen bij de plek die de Schedelplaats heet, werd hij gekruisigd, samen met de twee misdadigers, de een rechts van hem, de ander links. [34] Jezus zei: ‘Vader, vergeef hun, want ze weten niet wat ze doen.’* De soldaten verdeelden zijn kleren onder elkaar door erom te dobbelen. [35] Het volk stond toe te kijken. De leiders hoonden hem en zeiden: ‘Anderen heeft hij gered; laat hij nu zichzelf redden als hij de messias van God is, zijn uitverkorene!’ [36] Ook de soldaten dreven de spot met hem, ze gingen voor hem staan en boden hem zure wijn aan, [37] terwijl ze zeiden: ‘Als je de koning van de Joden bent, red jezelf dan!’ [38] Boven hem was een opschrift aangebracht: ‘Dit is de koning van de Joden’. [39] Een van de gekruisigde misdadigers zei spottend tegen hem: ‘Jij bent toch de messias? Red jezelf dan en ons erbij!’ [40] Maar de ander wees hem terecht met de woorden: ‘Heb jij dan zelfs geen ontzag voor God nu je dezelfde straf ondergaat? [41] Wij hebben onze straf verdiend en worden beloond naar onze daden. Maar die man heeft niets onwettigs gedaan.’ [42] En hij zei: ‘Jezus, denk aan mij wanneer u in uw koninkrijk komt.’ [43] Jezus antwoordde: ‘Ik verzeker je: nog vandaag zul je met mij in het paradijs zijn.’ [44] Rond het middaguur werd het donker in het hele land omdat de zon verduisterde. De duisternis hield drie uur aan. Toen scheurde het voorhangsel van de tempel doormidden. [46] En Jezus riep met luide stem: ‘Vader, in uw handen leg ik mijn geest.’ Toen hij dat gezegd had, blies hij de laatste adem uit. [47] De centurio zag wat er gebeurd was en loofde God met de woorden: ‘Werkelijk, deze mens was een rechtvaardige!’ [48] De mensen die voor het schouwspel samengekomen waren en de gebeurtenissen hadden gadegeslagen, keerden terug naar huis, terwijl ze zich op de borst sloegen. [49] Alle mensen die Jezus gekend hadden waren op een afstand blijven staan, ook de vrouwen die hem vanuit Galilea gevolgd waren en alles hadden zien gebeuren. [50] Er was ook een man die Josef heette en afkomstig was uit de Joodse stad Arimatea. Hij was een raadsheer, een goed en rechtvaardig mens, die de komst van het koninkrijk van God verwachtte en niet had ingestemd met het besluit en de handelwijze van de raad. [52] Hij ging naar Pilatus en vroeg hem om het lichaam van Jezus. [53] Nadat hij het lichaam van het kruis had gehaald, wikkelde hij het in linnen doeken en legde het in een rotsgraf dat nog nooit was gebruikt. [54] Het was de voorbereidingsdag, de sabbat was bijna aangebroken. [55] De vrouwen die met Jezus waren meegereisd uit Galilea, volgden Josef naar het graf om het te bekijken en om te zien hoe Jezus’ lichaam er werd neergelegd. [56] Daarna gingen ze naar huis en bereidden ze geurige olie en balsem. Op sabbat namen ze de voorgeschreven rust in acht.

09:15 Gepost door bijbelleerhuis in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) | Tags: bijbel, lijden |  Facebook |

12-03-07

VIJFDE ZONDAG IN DE VEERTIGDAGENTIJD

EERSTE LEZING : Jesaja 43,16-21 EERSTE LEZING : Jesaja 43,16-21 Zo spreekt de Heer, die door de zee een weg legt, een baan door de ontstuimige golven; en die wagen en paard daarover laat gaan, leger en strijdmacht, gesloten aaneen, maar dan gaan ze rusten, staan niet meer op, uitgeblust zijn ze, uitgedoofd als een vlaspit: Denk niet meer aan het verleden en sla geen acht op wat reeds lang voorbij is: Ik onderneem iets nieuws, het begin is er al: ziet ge het niet? Een weg leg Ik door de steppe, rivieren laat Ik stromen door de woestijn. De wilde dieren zullen ontzag voor Mij hebben, de jakhalzen en de struisvogels; want door de steppe laat Ik beken stromen, rivieren door de woestijn, zodat mijn uitverkoren volk zich kan laven: En dit volk dat Ik Mij gevormd heb zal mijn lof verkondigen! TWEEDE LEZING : Filippenzen 3,8-14 Broeders en zusters: Ik beschouw alles als verlies, want mijn Heer Christus Jezus kennen gaat alles te boven. Om Christus heb ik alles prijsgegeven en houd ik alles voor afval als het er om gaat Hem te winnen en één te zijn met Hem. Ik heb geen eigen gerechtigheid op grond van de wet, mijn gerechtigheid komt door het geloof in Christus, ze is een gave van God en steunt op het geloof. Ik wil Christus kennen, ik wil de kracht van zijn opstanding gewaarworden en de gemeenschap met zijn lijden, ik wil steeds meer op Hem lijken in zijn sterven om eens te mogen komen tot de wederopstanding uit de doden. Niet dat ik het al bereikt heb. Ik ben nog niet volmaakt. Maar ik streef er vurig naar het te grijpen, gegrepen als ik ben door Christus Jezus. Nee vrienden, ik beeld mij niet in er al te zijn. Alleen dit: Ik vergeet wat achter me ligt, ik reik naar wat voor me ligt, ik storm af op het doel: de prijs van Gods heerlijke roeping. EVANGELIE : Johannes 8,1-11 In die tijd begaf Jezus zich naar de olijfberg, en 's morgens vroeg verscheen Hij weer in de tempel en al het volk kwam naar Hem toe. Hij ging zitten en onderrichtte hen. Toen brachten schriftgeleerden en Farizeeën Hem een vrouw die op overspel was betrapt. Zij plaatsten haar in het midden en zeiden tot Hem: "Meester, deze vrouw is op heterdaad betrapt terwijl ze overspel bedreef. Nu heeft Mozes ons in de Wet bevolen zulke vrouwen te stenigen. Maar Gij, wat zegt Gij ervan?" Dit bedoelden ze als een strikvraag in de hoop Hem ergens van te kunnen beschuldigen. Jezus echter boog zich voorover en schreef met zijn vinger op de grond. Toen zij bij Hem aanhielden met vragen richtte Hij zich op en zei tot hen: "Laat degene onder u die zonder zonden is, het eerst een steen op haar werpen." Weer boog Hij zich voorover en schreef op de grond. Toen zij dit hoorden dropen zij een voor een af, de oudsten het eerst, totdat Jezus alleen achterbleef met de vrouw die daar was blijven staan. Nu richtte Jezus zich op en sprak tot haar: "Vrouw, waar zijn ze gebleven? Heeft niemand u veroordeeld?" Zij antwoordde: "Niemand, Heer." Toen zei Jezus tot haar: "Ook Ik veroordeel u niet; ga heen en zondig van nu af niet meer."

09:04 Gepost door bijbelleerhuis in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) | Tags: bijbel |  Facebook |

27-02-07

VIERDE ZONDAG IN DE VEERTIGDANTIJD

EERSTE LEZING : JOZUA 5,9a.10-12In die dagen sprak de Heer tot Jozua: Vandaag heb ik de smaad van Egypte van u afgewenteld. Terwijl de Israëlieten in Gilgal gelegerd waren, vierden zij het Paasfeest op de veertiende dag van de maand, in de avond in de vlakte van Jericho. En daags na Pasen, juist op die dag, aten zij ongezuurd brood en geroosterd graan dat van het land zelf afkomstig was De volgende dag hield het manna op; ze konden nu eten wat het land voortbracht. Voortaan kregen de Israëlieten geen manna meer; zij aten gedurende heel het jaar wat Kanaän voortbracht.TWEEDE LEZING : 2 KOR 5,17-21 Broeders en zusters, wie in Christus is, is een nieuwe schepping: het oude is voorbij, het nieuwe is al gekomen. En dit alles komt van God. Hij heeft ons door Christus met zich verzoend en ons, apostelen, de dienst van die verzoening toevertrouwd. Ja, God was het die in Christus de wereld met zich verzoende: Hij telde de fouten van de mensen niet en ons gaf Hij de boodschap van de verzoening mee. Wij zijn dus gezanten van Christus, God roept u op door ons woord. Wij smeken u in Christus' naam: laat u met God verzoenen! Hem die geen zonde heeft gekend, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij door Hem Gods eigen heiligheid zouden worden. EVANGELIE : LUCAS 15,1-3.11-32 In die tijd kwamen er tollenaars en zondaars van allerlei slag bij Jezus om naar Hem te luisteren. De Farizeeën en de Schriftgeleerden morden daarover en zeiden: "Die man ontvangt zondaars en eet met hen." Hij hield hun deze gelijkenis voor: Hij sprak: "Een man had twee zonen. Nu zei de jongste van hen tot zijn vader: Vader geef mij het deel van het bezit waarop ik recht heb. En hij verdeelde zijn vermogen onder hen. Niet lang daarna pakte de jongste zoon alles bij elkaar en vertrok naar een ver land. Daar verkwistte hij zijn bezit in een losbandig leven. Toen hij alles opgemaakt had kwam er een verschrikkelijke hongersnood over dat land en hij begon gebrek te lijden. Nu ging hij in dienst bij een der inwoners van dat land die hem het veld in stuurde om varkens te hoeden. En al had hij graag zijn buik willen vullen met de schillen die de varkens aten, niemand gaf ze hem. Toen kwam hij tot nadenken en zei: Hoeveel dagloners van mijn vader hebben eten in overvloed, en ik verga hier van de honger. Ik ga weer naar mijn vader en ik zal hem zeggen: Vader, ik heb misdaan tegen de hemel en tegen u; ik ben niet meer waard uw zoon te heten maar neem mij aan als een van uw dagloners. Hij ging dus op weg naar zijn vader. Zijn vader zag hem al in de verte aankomen en hij werd door medelijden bewogen; hij snelde op hem toe, viel hem om de hals en kuste hem hartelijk. Maar de zoon zei tot hem: Vader, ik heb misdaan tegen de hemel en tegen u; ik ben niet meer waard uw zoon te heten. Doch de vader gelastte zijn knechten: Haalt vlug het mooiste kleed en trekt het hem aan, steekt hem een ring aan zijn vinger en trekt hem sandalen aan. Haalt het gemeste kalf en slacht het; laten we eten en feestvieren, want deze zoon van mij was dood en is weer levend geworden, hij was verloren en is teruggevonden. Ze begonnen dus feest te vieren. Intussen was zijn oudste zoon op het land. Toen hij echter terugkeerde en het huis naderde hoorde hij muziek en dans. Hij riep een van de knechten en vroeg wat dat te betekenen had. Deze antwoordde: Uw broer is thuisgekomen en uw vader heeft het gemeste kalf laten slachten omdat hij hem gezond en wel heeft teruggekregen. Maar hij werd kwaad en wilde niet naar binnen. Toen zijn vader naar buiten kwam en bij hem aandrong gaf hij zijn vader ten antwoord: Al zoveel jaren dien ik u en nooit heb ik uw geboden overtreden, toch hebt gij mij nooit een bokje gegeven om eens met mijn vrienden feest te vieren. En nu die zoon van u is gekomen die uw vermogen heeft verbrast met slechte vrouwen, hebt ge voor hem het gemeste kalf laten slachten. Toen antwoordde de vader: Jongen, jij bent altijd bij me en alles wat van mij is is ook van jou. Maar er moet feest en vrolijkheid zijn, omdat die broer van je dood was en levend is geworden, verloren was en is teruggevonden."

09:46 Gepost door bijbelleerhuis in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) | Tags: veertigdagentijd, bijbel, liturgie |  Facebook |

24-02-07

DERDE ZONDAG IN DE VEERTIGDAGENTIJD C

EERSTE LEZING Exodus 3,1-8a.13-15 In die tijd hoedde Mozes de kudde van zijn schoonvader Jitro, de priester van Midjan. Eens dreef hij de kudde tot ver in de woestijn en kwam hij bij de berg van God, de Horeb. Toen verscheen hem de engel van de Heer, in een vuur dat opvlamde uit een doornstruik. Mozes keek toe en zag dat de doornstruik in lichter laaie stond en toch niet verbrandde. Hij dacht: Ik ga er op af om dat vreemde verschijnsel te onderzoeken. Hoe komt het dat die doornstruik niet verbrandt? De Heer zag hem naderbij komen om te kijken. En vanuit de doornstruik riep God hem toe: Mozes. Hier ben ik, antwoordde hij. Toen sprak de Heer: Kom niet dichterbij, doe uw sandalen uit, want de plaats waar gij staat is heilige grond. En hij vervolgde: Ik ben de God van uw vader, de God van Abraham, de God van Isaäk en de God van Jakob. Toen bedekte Mozes zijn gezicht want hij durfde niet naar God op te zien. De Heer sprak: Ik heb de ellende van mijn volk in Egypte gezien, de jammerklachten om zijn onderdrukkers gehoord; ja, ik ken zijn lijden. Ik daal af om mijn volk te bevrijden uit de macht van Egypte. Maar Mozes sprak opnieuw tot God. Als ik nu bij de Israëlieten kom en hun zeg: De God van uw vaderen zendt mij tot u, en zij vragen: Hoe is zijn naam? wat moet ik dan antwoorden? Toen sprak God tot Mozes: Ik ben die is. En ook: Dit moet gij de Israëlieten zeggen: Hij die is, zendt mij tot u. Bovendien zei God tot Mozes: Dit moet ge de Israëlieten zeggen: De Heer de God van uw vaderen, de God van Abraham, de God van Isaäk en de God van Jakob, zendt mij tot u. Dit is mijn naam voor altijd. Zo moet men mij aanspreken, alle geslachten door.TWEEDE LEZING 1 Korintiërs 10,1-6.10-12 Gij moet goed weten, broeders en zusters, dat onze vaderen wel allen onder de wolk zijn geweest, allen door de zee zijn getrokken; allen zijn zij door wolk en zee in Mozes gedoopt, allen aten zij hetzelfde geestelijk voedsel, allen dronken dezelfde geestelijke drank – want zij dronken uit een geestelijke rots die met hen meeging en die rots was de Christus – maar in de meesten van hen heeft God geen welbehagen gehad; want zij werden neergeveld in de woestijn. Deze gebeurtenissen zijn een les voor ons opdat wij niet, zoals zij slechte dingen zouden begeren. Mort ook niet tegen God, zoals sommigen onder hen: zij zijn gedood door de verderver. Wat hun overkwam had een diepe zin en het werd te boek gesteld als een waarschuwing voor ons, tot wie het einde der tijden gekomen is. Daarom, wie meent te staan moet oppassen dat hij niet valt. EVANGELIE Lucas 13,1-9 In die tijd waren er bij Jezus enkele mensen die Hem vertelden wat er gebeurd was met de Galileeërs, van wie Pilatus het bloed met dat van hun offerdieren had vermengd. Daarop zei Jezus: "Denkt ge, dat onder alle Galileeërs alleen deze mensen zondaars waren, omdat zij dat lot ondergaan hebben? Volstrekt niet, zeg Ik u. Maar als gij u niet bekeert, zult ge allen op een dergelijke manier omkomen. Of die achttien die gedood werden doordat de toren bij de Silóam op hen viel: denkt ge dat die alleen schuldig waren onder alle mensen die in Jeruzalem woonden? Volstrekt niet, zeg Ik u. Maar als gij niet tot bekering komt zult ge allen op eenzelfde wijze omkomen." Toen vertelde Hij de volgende gelijkenis: "Iemand had een vijgeboom die in zijn wijngaard geplant stond; hij kwam zoeken of er vrucht aan zat, maar vond niets. Toen zei hij tot de wijngaardenier: Al sinds drie jaar kom ik aan deze vijgeboom vruchten zoeken maar ik vind er geen. Hak hem om! Waartoe put hij nog de grond uit? Maar de man gaf hem ten antwoord: Heer, laat hem dit jaar nog staan; laat mij eerst de grond er omheen omspitten en er mest op brengen. Misschien draagt hij het volgend jaar vrucht; zo niet, dan kunt ge hem omhakken."

14:57 Gepost door bijbelleerhuis in Algemeen | Permalink | Commentaren (3) | Tags: bijbel, liturgie |  Facebook |